Grensvlakken tussen wetten

Grensvlakken tussen Zvw en Wmo
Grensvlakken tussen Zvw en Wlz

Grensvlakken tussen Zvw en Wmo

Uit het onderzoek van VKI blijkt dat zorgverleners het niet altijd gemakkelijk vinden dat de zorg voor hun cliënten door twee wetten geregeld wordt. Zo noemen zij o.a. de volgende punten (willekeurige volgorde):

  1. De indicatie voor de Wmo wordt door de gemeente gedaan; voor de Zvw door de wijkverpleegkundige. De indicatiestelling voor de cliënt wordt dan door twee personen gedaan: de wijkverpleegkundige en iemand van de gemeente;
  2. Een tweede complicerende factor van de huidige regeling is dat de uitvoering van de Wmo per gemeente kan verschillen. De Wmo kent een eigen bijdrage, die door de gemeente wordt vastgesteld. Die kan dus per gemeente verschillen. De Zvw kent echter alleen het eigen risico, dat voor iedereen gelijk is;
  3. Als derde worden de grijze gebieden tussen beide wetten genoemd. Wijkverpleegkundigen noemen heel vaak het ondersteunen bij voeding. Zo wordt de zorg gefinancierd vanuit de Wmo als de cliënt hulp nodig heeft bij het eten. Zo kan hij/zij zelfstandig blijven wonen als de gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk, niet voldoende is. De Zvw is juist weer aan de orde in meer complexe situaties, bijvoorbeeld als de cliënt hulp nodig heeft om het eten in de mond te brengen of als er een hoog risico is op verslikken;
  4. Een vierde factor is dat er soms meerdere zorgverleners bij de cliënt komen, omdat de gemeente samenwerkt met een andere zorgorganisatie;
  5. Tot slot beschouwt de gemeente de Wlz als een ‘voorliggende voorziening’ en wil soms dat daar een indicatie voor wordt aangevraagd als zij de benodigde  zorg te intensief vindt. Voorliggend wil zeggen dat de gemeente een Wmo-aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen als de cliënt aanspraak kan maken op de Wlz. Ook kan de gemeente de ondersteuning stoppen als dit het geval is.  Dit kan voor de cliënt negatief uitvallen (minder uren zorg), we spreken dan van een ‘zorgval’. (zie grensvlakken tussen Wlz en Zvw en blog Robbert Huijsman).

Van belang is dat de wijkverpleegkundige investeert in het contact met de Wmo gemeenteambtenaar. Bij het indiceren kijkt de wijkverpleegkundige immers ook naar de ondersteuning die de cliënt nodig heeft en ondersteunt zij de cliënt bij het aanvragen van de financiering bij de gemeente. Als de wijkverpleegkundige een goed contact heeft met de gemeenteambtenaar kan het zo zijn dat hij de inschatting van de wijkverpleegkundige overneemt en niet apart een indicatie komt doen.

Meer informatie over Wlz als voorliggende voorziening

Grensvlakken tussen Zvw en Wlz

In het onderzoek van VKI worden 4 thema’s benoemd bij de grensvlakken tussen de Zvw en de Wlz:

  1. overgang van Zvw naar Wlz: zorgverleners worstelen met de overgang van de zorg van een cliënt van de Zvw naar Wlz: wanneer moet dat precies? Het criterium is dat een cliënt 24 uurs toezicht in de nabijheid nodig heeft, maar de zwaarte van de zorg en het aantal uren zorg dat nodig is, spelen ook een rol in de besluitvoering. Daarnaast zijn de eigen bijdrage en het urenplafond binnen de Wlz ook bepalend bij het al dan niet aanvragen van een Wlz indicatie (zie verder);
  2. het urenplafond in de Wlz: als cliënten overgaan van de Zvw naar de Wlz krijgen cliënten te maken met een maximum aantal vergoede zorguren. In de praktijk betekent dit dat cliënten die een zwaardere zorgvraag hebben (24 uurs toezicht), in de praktijk minder uren zorg krijgen dan als ze vanuit de Zvw worden gefinancierd. Voor zorgverleners betekent dit dat ze erg creatief moeten zijn om de zorg ‘rond te breien’ en daarmee een zogenaamde ‘zorgval’ te voorkomen. Lees hiervoor ook de blog van Robbert Huijsman;
  3. de eigen bijdrage in de Wlz: Een groot verschil tussen de Zvw en de Wlz is de eigen bijdrage die wel geldt voor de Wlz, maar niet voor de ZvW. Net als het urenplafond kan dit een reden zijn om voor cliënten geen indicatie voor de Wlz aan te vragen, ofschoon dat soms op basis van de zorgbehoefte wel zou moeten. Deze terughoudendheid zien we bij zowel de familie als de zorgverleners. Het wordt ook als oneerlijk ervaren om over te stappen naar de Wlz terwijl het meer kost en minder oplevert in de praktijk;
  4. eenmaal Wlz, altijd Wlz: Als iemand eenmaal een Wlz-indicatie heeft, houdt hij/zij die Wlz indicatie, ondanks dat de zwaarte van het zorgpakket nog kan veranderen. Zorgverleners voelen zich daardoor beperkt in hun keuze voor het juiste zorgpakket voor hun cliënt, wat deels veroorzaakt wordt door het urenplafond in de Wlz.